ECLI:NL:CRVB:2005:AT4124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum nabestaandenuitkering en zorgplicht uitvoeringsinstelling
Appellant verzocht om een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) met terugwerkende kracht vanaf november 2001. De Sociale verzekeringsbank kende de uitkering toe met ingang van die datum, maar weigerde een eerdere ingangsdatum toe te kennen omdat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Anw.
Appellant stelde dat de bank tekort was geschoten in haar zorgplicht door onvoldoende voorlichting te geven en onvoldoende hulp te bieden bij het aanvragen van de uitkering. De Raad oordeelde dat appellant bekend was met zijn rechten en zich had laten adviseren door een accountant die onjuist adviseerde dat appellant geen recht had op een Anw-uitkering. Dit risico ligt bij appellant.
De Raad stelde verder vast dat de bank niet verplicht is om automatisch aanvraagformulieren toe te zenden en dat de inspanningen die de bank verricht in het kader van de AOW niet zonder meer kunnen worden doorgetrokken naar de Anw. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de nabestaandenuitkering blijft één jaar voor de aanvraagdatum.