ECLI:NL:CRVB:2005:AT4125

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1621 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late betaling griffierecht ongegrond verklaard

Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Tegen deze beslissing heeft opposant verzet aangetekend.

De Raad heeft vastgesteld dat opposant tijdig was gewezen op de betalingsverplichting en de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan. Hoewel opposant stelde dat hij een van de aanmaningen niet had ontvangen, was het andere schrijven wel ontvangen en daarin stond duidelijk vermeld dat betaling binnen vier weken moest plaatsvinden.

De Raad oordeelde dat het verzet ongegrond is omdat geen redelijke gronden zijn aangevoerd om het te late betalen te verontschuldigen. Er was geen bewijs van onjuiste adressering of andere omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen. Het verzet werd daarom verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

04/1621 AKW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats] (Tunesië), opposant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 20 augustus 2004 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van hem gegeven uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2003, nummer AWB 02/4507 AKW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft opposant op 15 september 2004 een verzetschrift ingediend.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op
4 maart 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij schrijven van 31 maart 2004 is opposant gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht. Bij aangetekend schrijven van 28 april 2004 is opposant erop gewezen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken, te rekenen vanaf de datum van dat schrijven, dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht eerst op 1 juni 2004, derhalve na afloop van de in de brief van 28 april 2004 gestelde termijn, op de rekening van de Raad is bijgeschreven.
In het verzetschrift heeft opposant aangevoerd dat hij het schrijven van de Raad van 31 maart 2004 - in tegenstelling tot de andere door de Raad verzonden brieven waaronder het schrijven van 28 april 2004 - niet heeft ontvangen.
Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
De Raad overweegt daartoe dat van een onjuiste adressering van het schrijven van 31 maart 2004 niet is gebleken en dat voornoemd schrijven niet bij de Raad retour is ontvangen. Maar wat daarvan ook zij, in het schrijven van 28 april 2004, waarvan opposant aangeeft dat hij dit schrijven wel heeft ontvangen, staat duidelijk vermeld dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort.
Het verzet moet derhalve ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
GdJ
III. DéCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare le recours fondé
Par conséquent, décidée par M. le maître J. Janssen en qualité de président, M. le maître D.J. van der Vos et M. le maître G.J.H. Doornewaard comme membres, en présence de J.E. Meijer en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 15 avril 2005.