ECLI:NL:CRVB:2005:AT4190

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4220 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • O.J.D.M.L. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens prematuur bezwaar tegen herbeoordeling WAO-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin haar bezwaar tegen het afkeuringspercentage van haar WAO-uitkering werd afgewezen als prematuur. De rechtbank had geoordeeld dat er geen besluit was genomen waartegen bezwaar kon worden gemaakt, en dat een dergelijk besluit ook niet op korte termijn te verwachten was.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat gedaagde geen inhoudelijk besluit heeft genomen over de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%, en dat de aanzeggingsbrief van de arbeidsdeskundige niet als besluit kan worden aangemerkt. Daarom is het bezwaar prematuur ingediend en niet-ontvankelijk volgens artikel 6:10 Awb Pro.

De Raad sluit zich aan bij de rechtbank en benadrukt dat er geen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het bezwaar toch ontvankelijk wordt verklaard. Tevens wijst de Raad op de verplichting van gedaagde om spoedig een inhoudelijk besluit te nemen, zodat appellante haar grieven kan laten toetsen.

De Raad ziet geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep ongegrond wordt verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar prematuur was ingediend.

Uitspraak

04/4220 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 25 juni 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 03/2689 WW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 januari 2005 heeft appellante een nadere toelichting verstrekt op haar standpunt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 februari 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid, heeft de rechtbank de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden met juistheid als volgt weergegeven:
"Bij het einde van de wachttijd op 19 september 2000 is eiseres voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt verklaard. Op 17 oktober 2002 heeft vervolgens een eerstejaarsherbeoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering plaatsgevonden.
In een zogenoemde aanzeggingsbrief van 31 oktober 2002 heeft de arbeidsdeskundige eiseres medegedeeld dat zij onveranderd voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt wordt geacht. Eiseres wordt erop gewezen dat zij de beschikking binnen acht weken kan opvragen, waarna zij tegen de beschikking bezwaar kan aantekenen. Bij een brief van 14 november 2002 heeft eiseres deze beschikking opgevraagd en tevens bezwaar aangetekend tegen het afkeuringspercentage. Bij brief van 20 december 2002 heeft eiseres haar bezwaar herhaald. "
en:
"Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat er geen beslissing is genomen waartegen kon worden gemaakt en dat een dergelijk besluit evenmin op korte termijn te verwachten is. Het bezwaarschrift is prematuur ingediend. Er is geen sprake van omstandigheden op grond waarvan het bezwaar niettemin ontvankelijk kan worden verklaard, aldus verweerder."
De Raad stelt met de rechtbank vast dat gedaagde, ondanks het daartoe strekkende verzoek van appellante, geen besluit heeft genomen met betrekking tot de haar door gedaagdes arbeidsdeskundige in het vooruitzicht gestelde ongewijzigde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Anders dan appellante kennelijk meent kan de aanzeggingsbrief van de arbeidsdeskundige van 31 oktober 2002 niet als zodanig gelden. Terecht heeft gedaagde derhalve geconcludeerd dat het door appellante gemaakte bezwaar als prematuur dient te worden aangemerkt. Tevens sluit de Raad zich aan bij het - ook door de rechtbank onderschreven - standpunt van gedaagde dat niet is gebleken van een omstandigheid op grond waarvan ingevolge artikel 6:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van een dergelijk voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft. Gelijk de rechtbank overweegt was immers ten tijde van de indiening van het bezwaar geen primair besluit genomen, terwijl geen aanknopingspunten bestaan om het er voor te houden dat appellante redelijkerwijs kon menen dat er wel een besluit was genomen.
De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden het beroep tegen het bestreden besluit van 13 mei 2003 ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad wil niet nalaten, voor dit geding strikt ten overvloede, nog het volgende te overwegen. Gedaagdes gemachtigde heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hem is gebleken dat nog immer geen inhoudelijk besluit is genomen inzake de door appellante onjuist geachte ongewijzigde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Tevens heeft die gemachtigde toegezegd dat hij er voor zal zorgdragen dat een dergelijk besluit op korte termijn wordt genomen. De Raad vertrouwt er op, mede in het licht van vereisten die ter zake voortvloeien uit het internationale en supranationale recht, dat gedaagde thans met grote voortvarendheid zal overgaan tot het uitreiken van een inhoudelijk besluit aan appellante, zodat appellante - eindelijk - in de gelegenheid wordt gesteld haar grieven in bezwaar en vervolgens, desgewenst, ook in rechte getoetst te krijgen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.