ECLI:NL:CRVB:2005:AT4479
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum toekenning periodieke uitkering vervolgingsslachtoffer
Eiser, erkend als vervolgingsslachtoffer sinds 1976, had vanaf 1 juni 1989 recht op een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. In 1995 trok de verweerster deze uitkering en voorzieningen per 1 november 1995 in na een verzoek van eiser, zonder dat hij bezwaar maakte.
Na een verzoek in november 2002 kende verweerster de uitkering en voorzieningen opnieuw toe met ingang van 1 november 2002. Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum, stellende dat deze eerder had moeten ingaan.
De Raad oordeelt dat het besluit van 1995 om af te zien van aanspraken niet berust op een wilsgebrek. De Raad weegt mee dat eiser na benadering door zijn dochter bij zijn standpunt bleef en dat zijn psychische klachten verbeterden na een reis en remigratie naar Indonesië. De verslechtering in 2002 leidde tot het nieuwe verzoek.
De Raad stelt vast dat het verzoek van 2002 als een hernieuwde aanvraag moet worden beschouwd, waardoor de ingangsdatum volgens artikel 34 van Pro de Wet op de eerste dag van de maand van aanvraag, 1 november 2002, terecht is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering blijft 1 november 2002.