ECLI:NL:CRVB:2005:AT4620

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4142 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken specifiek oorlogsgeweld

Eiseres, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode. Zij baseerde haar aanvraag op onder meer huiszoekingen, getuige zijn van mishandeling en executie, en beschietingen tijdens een vlucht.

Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat eiseres was getroffen door oorlogsgeweld dat onder de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 valt. De Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de omstandigheden die eiseres aanvoerde algemene oorlogsomstandigheden betreffen waaraan velen zijn blootgesteld, en niet specifiek tegen haar gerichte handelingen of maatregelen.

De Raad benadrukte dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan strikt omschreven criteria en dat medische beoordeling pas aan de orde is als vaststaat dat er sprake is van onder de Wet vallende gebeurtenissen. Het beroep werd ongegrond verklaard en een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bewijs van specifiek oorlogsgeweld.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/4142 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 29 juni 2004, kenmerk JZ/K60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan (zoals schriftelijk aangekondigd) door de heer en mevrouw [familienaam], wonende te [woonplaats 2], terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres, geboren [in] 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend gericht op erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en op toekenning van een zogenoemde artikel 19-toeslag, een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende, zogenoemde, Bersiap-periode, te weten: tijdens de Japanse bezetting huiszoekingen door Japanners en de vlucht vanuit geboorteplaats Tegal naar Bandoeng, tijdens de Bersiap-periode het getuige zijn van de mishandeling en executie van de vader van een vriendin en tenslotte beschietingen tijdens de vlucht van de Naripanweg naar de Hollandiastraat.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 maart 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is gebleken dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
Degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden tot 27 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indie lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of maatregelen;
- tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode:
- tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat de aanvraag van eiseres vooral steunt op de dreiging die het gezin waartoe eiseres behoorde heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad gaat het hier evenwel om algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meer of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en welke niet zijn aan te merken als tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Blijkens de gedingstukken waren de door eiseres genoemde - en overigens niet objectief bevestigde - huiszoekingen door Japanners, niet persoonlijk tegen haar gericht, terwijl het oppakken van haar zus niet gepaard is gegaan met excessief geweld zodat niet gesproken kan worden van directe confrontatie met excessief geweld tegen derden. Verweerster heeft mitsdien terecht deze gebeurtenissen niet als calamiteiten in de zin van de Wet aangemerkt.
Met betrekking tot de vlucht vanuit Tegal naar Bandoeng heeft ook de Raad in de voorhanden stukken onvoldoende objectieve bevestiging gevonden dat deze heeft plaatsgehad vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden.
Wat de andere door eiseres naar voren gebrachte gebeurtenissen betreft, te weten het getuige zijn van de mishandeling en executie van de vader van een vriendin en de directe betrokkenheid bij beschietingen tijdens de vlucht van de Naripanweg naar de Hollandiastraat zijn geen bevestigingsgegevens, bijvoorbeeld door getuigenverklaringen of historische bronnen - verweerster raadpleegde nog het Instituut voor militaire geschiedenis en de Nefis/Buza-archieven - voorhanden. De Raad merkt daarbij nog op dat de getuigenverklaring van de zus van eiseres, J. Dorff-Heuvelman, hierbij niet kan helpen daar deze zus verklaarde ten tijde hier van belang elders te hebben verbleven, terwijl een verklaring van zus Greetha niet kon worden verkregen omdat haar adres niet is te achterhalen.
Uit het voorgaande volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden zodat er geen grond bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit. Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode leed is aangedaan en angstige tijden heeft meegemaakt, maar de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is gebonden aan specifiek omschreven oorlogservaringen.
Ter voorlichting van eiseres merkt de Raad nog op dat verweerster eerst dan toekomt aan een medische beoordeling als vaststaat dat er sprake is van gebeurtenissen welke onder de werking van de Wet vallen. Nu in het geval van eiseres niet is gebleken van onder de Wet vallende gebeurtenissen heeft verweerster derhalve op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling van de aanvraag achterwege gelaten.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heembergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
21.03