ECLI:NL:CRVB:2005:AT4630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WAO-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze met ingang van 7 maart 2001 omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant per het einde van de wachttijd weer geschikt was voor zijn maatgevende arbeid, hetgeen werd onderbouwd door medische rapporten van verzekeringsartsen. Uit het onderzoek bleek dat appellant zijn eigen werk in ploegendienst volledig had hervat en slechts sporadisch verzuimde. De Raad concludeerde dat het besluit van 19 maart 2001, waarmee de eerdere toekenning van een WAO-uitkering werd ingetrokken, rechtmatig was en niet in strijd met algemene rechtsbeginselen.
Appellant voerde aan dat het besluit in strijd was met het hoor en wederhoor-beginsel omdat er geen tolk aanwezig was tijdens eerdere zittingen. De Raad verwierp dit bezwaar omdat uit de stukken bleek dat appellant bij beide zittingen wel vergezeld was van een tolk. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 7 maart 2001 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.