ECLI:NL:CRVB:2005:AT4766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als bakkerijmedewerkster, viel uit wegens lage rugklachten en klachten aan haar rechterhand. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was na afloop van de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen aanwijzingen waren dat het UWV onjuiste medische beperkingen had vastgesteld en de voorgehouden functies binnen het belastbaarheidspatroon pasten.
Appellante stelde in hoger beroep geen nieuwe medische feiten aan, en het standpunt over de reductiefactor werd verworpen omdat deze niet van toepassing was gezien de omvang van de maatmanfunctie en de gebruikte functies. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie over de actualiteit van functies in het FIS-systeem en concludeert dat de schatting van functies voldoende realiteitswaarde heeft.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt derhalve het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en acht geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.