ECLI:NL:CRVB:2005:AT4776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) is geweigerd op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid (minder dan 15%) na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn schouder- en armklachten zodanige beperkingen veroorzaakten dat hij geen benutbare arbeidsmogelijkheden had.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het Uwv juist was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde vast dat het medisch onderzoek adequaat en zorgvuldig was uitgevoerd. De verklaringen van de huisarts en orthopedisch chirurg boden geen aanleiding om de beperkingen van appellant ernstiger te achten dan door het Uwv vastgesteld.
De Raad concludeerde dat appellant terecht werd geacht de werkzaamheden te kunnen verrichten die behoren bij de bij de schatting gebruikte functies. Er waren geen juridische gronden om het bestreden besluit te vernietigen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee de weigering van de WAO-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.