ECLI:NL:CRVB:2005:AT4856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is in oktober 1999 wegens lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor haar deeltijdse werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde haar een WAO-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsartsen volledig en zorgvuldig was en onderschreef het belastbaarheidspatroon. Ook de medische informatie van appellante gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad sluit zich hierbij aan.
De Raad overweegt dat de functies die in de beoordeling zijn meegenomen passend zijn voor appellante, ondanks enkele markeringen die mogelijke overschrijding van belastbaarheid aanduiden. De toelichting van de bezwaarverzekeringsarts maakt aannemelijk dat deze functies binnen haar mogelijkheden liggen.
De Raad ziet geen reden om een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen en acht het bestreden besluit niet onjuist. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.