ECLI:NL:CRVB:2005:AT4923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellante kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken per 26 maart 2001 omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) minder dan 15% bedroeg. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij aanzienlijke medische beperkingen had, met name nekklachten die haar belemmerden in het verrichten van arbeid. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd.
De Raad oordeelde dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen, dat appellante weliswaar beperkingen heeft maar geschikt is voor bepaalde functies, voldoende onderbouwd is. Het rapport van een neuroloog gaf geen aanleiding om de beperkingen zwaarder te wegen, en er waren geen aanvullende medische gegevens die een ernstiger beperking aannemelijk maakten. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies was naar het oordeel van de Raad adequaat, ondanks dat één functie een actualiteitsdatum had van meer dan anderhalf jaar voor de datum in geding.
De Raad concludeerde dat de functies die appellante kon vervullen haar belastbaarheid niet te boven gingen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarom bevestigd en er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellante werd daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.