ECLI:NL:CRVB:2005:AT5026

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/499 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArtikel 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Eiser, geboren in 1938 te Batavia, verzocht in mei 2003 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode in Nederlands-Indië. Verweerster wees het verzoek af omdat niet was gebleken dat eiser direct betrokken was bij beschietingen of oorlogsgeweld.

Eiser stelde in beroep dat zijn ervaringen voldoende waren bevestigd door getuigenverklaringen en dat een ruimhartige bewijslastbenadering moest gelden. De Raad stelde vast dat na de Japanse capitulatie het gezin van eiser vanuit kampong Kaja Poetih naar Tanah Tinggi was gegaan en later door Engelse soldaten naar het 10e Bataljon werd overgebracht. Eiser gaf zelf aan dat deze overbrengingen niet met beschietingen gepaard gingen.

De Raad oordeelde dat het 10e Bataljon een relatief veilige locatie was en dat eiser daar verbleef nabij het poortgebouw, een niet gevaarlijke plek. De overgelegde getuigenverklaringen waren te algemeen en boden onvoldoende duidelijkheid over de specifieke situatie van eiser. Zelfs met een ruimhartige benadering was onvoldoende komen vast te staan dat eiser door oorlogsgeweld was getroffen in de zin van de Wet.

Daarom kon het bestreden besluit standhouden en werd het beroep van eiser ongegrond verklaard. De Raad zag geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wees het beroep af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van getroffen zijn door oorlogsgeweld.

Uitspraak

04/499 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 22 december 2003, kenmerk JZ/Z60/2003, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, namens eiser op de in een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van Berkel voornoemd, heeft vervolgens het beroepschrift bij brief van 14 december 2004 nog aangevuld met getuigenverklaringen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005, waar voor eiser is verschenen mr. Van Berkel voornoemd, en waar verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, die geboren is op 5 augustus 1938 te Batavia in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 2003 verzocht om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De aanvraag is gebaseerd op gezondheidsklachten die naar de mening van eiser het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië, te weten: tijdens de Bersiap-periode
1. De vlucht naar Tanah Tinggi;
2. De evacuatie naar het 10e Bataljon;
3. Het meemaken van beschietingen in het 10e Bataljon.
Verweerster heeft deze aanvraag bij besluit van 11 augustus 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat eiser is getroffen door gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van Pro de Wet.
Ten aanzien van de onder 1 genoemde gebeurtenis heeft verweerster overwogen dat niet is komen vast te staan dat eiser direct betrokken is geweest bij beschietingen tijdens zijn vlucht naar Tanah Tinggi. Tevens is verweerster van mening dat de directe betrokkenheid van eiser bij beschietingen in Tanah Tinggi door pemoeda’s die niet ver van eisers ouderlijk huis in de kampong zaten, niet is komen vast te staan. Ten aanzien van de gebeurtenissen onder 2 en 3 is verweerster van mening dat niet is komen vast te staan dat eiser direct betrokken is geweest bij beschietingen tijdens de evacuatie naar het
10e Bataljon. Het meemaken van beschietingen op het 10e Bataljon door sluipschutters is evenmin komen vast te staan.
In beroep heeft eiser aangevoerd van mening te zijn dat zijn oorlogservaringen op grond van de bekende gegevens en de getuigenverklaringen in voldoende mate zijn bevestigd en onder de werking van de Wet vallen en dat ten aanzien van de bewijslast een ruimhartige benadering voorgestaan dient te worden zoals vermeld in verweersters jaarverslag van 1996.
De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft doen aanvoeren, in rechte kan standhouden.
De Raad overweegt daartoe het volgende.
De Raad stelt allereerst vast dat blijkens de stukken na de Japanse capitulatie het gezin waartoe eiser behoorde vanuit de kampong Kaja Poetih naar Tanah Tinggi is gegaan en dat de gezinsleden op een gegeven moment vandaar door Engelse soldaten naar het 10e Bataljon zijn gebracht. Omtrent deze gebeurtenis heeft eiser in de hoorzitting zelf opgemerkt dat deze overbrengingen niet zijn gepaard gegaan met beschietingen. De Raad deelt het oordeel van verweerster, zoals ter zitting toegelicht, dat het 10e Bataljon een beschermingskamp was bestaande uit diverse gebouwen en terreinen die als verblijfplaats dienden, en dat afhankelijk van waar men verbleef de kans op beschieting door sluipschutters uit de nabij gelegen kampong aanwezig was. Uit de stukken komt echter naar voren dat eiser verblijf hield nabij het poortgebouw, hetgeen niet een zodanig gevaarlijke locatie was.
De Raad is voorts van oordeel dat de in geding zijnde oorlogsgebeurtenissen in dit geval onvoldoende bevestiging vinden in de overgelegde getuigenverklaringen die te algemeen zijn om duidelijkheid te verschaffen over de specifieke situatie van eiser. Zelfs met toepassing van een ruimhartige benadering als bedoeld in het jaarverslag van 1996 is naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate komen vast te staan dat eiser is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.
Gelet hierop kan het bestreden besluit stand houden. Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond wordt verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.