ECLI:NL:CRVB:2005:AT5029

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6565 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding opname verzorgingshuis en weigering fondsdonatie onder Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Eiser, een uitkeringsgerechtigde vervolgingsslachtoffer uit 1940-1945, kreeg een vergoeding toegekend voor opname in een verzorgingshuis op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Eiser maakte bezwaar tegen de weigering van verweerster om de door hem betaalde verplichte fondsdonatie aan het interne fonds “Vergeet mij niet als ik ouder word” te vergoeden.

De Raad overwoog dat de vergoeding uitsluitend betrekking heeft op kosten van verpleging en verzorging in een daartoe bestemde inrichting, indien opname geschiedt wegens door vervolging ontstane of verergerde ziekten of gebreken. Uit het contract bleek dat het fonds bestemd is voor sociale activiteiten en welzijn van bewoners, niet voor basisverzorging of verpleging.

Daarom oordeelde de Raad dat de fondsdonatie geen vergoeding rechtvaardigt onder de Wet. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de weigering van vergoeding van de fondsdonatie.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vergoeding van de fondsdonatie bevestigd.

Uitspraak

03/6565 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 16 september 2003, kenmerk JZ/U80/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft eiser de gronden aangevoerd, waarop zijn beroep steunt.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005. Aldaar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren [in] 1927, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Bij besluit van verweerster van 20 december 2001 is aan eiser onder meer op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van opname in het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis], inclusief de eventueel verschuldigde inkoopsom.
Bij schrijven van 28 november 2002, ter toelichting op de aan eiser in december 2002 toe te zenden berekeningsbeslissing, heeft verweerster onder meer de uitbetaling van de aan eiser toekomende vergoeding van de door hem betaalde inkoopsom toegelicht. Eiser heeft tegen deze berekening bezwaar gemaakt en daarbij aangegeven zich niet te kunnen vinden in verweersters weigering de door hem bij opname in [naam verzorgingshuis] gedane verplichte fondsdonatie te vergoeden. Bij het thans besttreden besluit heeft verweerster haar weigering de door eiser gedane fondsdonatie te vergoeden gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat dit fonds niet wordt aangewend voor de basisverzorging en -verpleging van de bewoners van [naam verzorgingshuis].
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 20, derde lid, van de Wet, komen - kort weergegeven - voor vergoeding in aanmerking de kosten van verpleging en verzorging in een daartoe bestemde inrichting, indien opname in die inrichting geschiedt wegens ziekten of gebreken die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.
Uit de gedingstukken blijkt dat eiser als bewoner van [naam verzorgingshuis] een donatie heeft moeten schenken voor een intern fonds genaamd “Vergeet mij niet als ik ouder word”, welk fonds blijkens het door eiser in geding gebrachte contract, wordt aangewend voor het verlenen van velerlei soorten steun en/of andere hulp aan de bewoners van het Ouderentehuis die daar behoefte aan hebben en/of voor betaling aan het Ouderentehuis voor het welzijn en sociale activiteiten van het tehuis.
Gegeven deze uit het ter zake door eiser onderschreven contract blijkende doelstelling van het fonds heeft verweerster, naar het oordeel van de Raad op goede gronden geoordeeld dat de gelden van dit fonds een sociale bestemming hebben en dat geen sprake is van kosten van verpleging en verzorging die op de voet van artikel 20, derde lid voor vergoeding in aanmerking komen. Mitsdien heeft verweerster terecht geweigerd deze kosten te betrekken bij de aan eiser toegekende vergoeding van bij opname in [naam verzorgingshuis] te betalen inkoopsom.
Dit betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.