ECLI:NL:CRVB:2005:AT5038

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2725 WUBO + 04/1231 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 19 WUBO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toeslag burger-oorlogsslachtoffer wegens gebrek aan blijvende invaliditeit

Eiseres, geboren in 1938 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg een toeslag aan op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 wegens psychische klachten door ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat onvoldoende was aangetoond dat zij getroffen was door oorlogsgeweld. Na bezwaar werd erkend dat zij door oorlogsgeweld was getroffen, maar de toeslag werd alsnog geweigerd vanwege het ontbreken van blijvende invaliditeit.

De Raad beoordeelde of het besluit van 20 januari 2004, dat de afwijzing handhaafde wegens het ontbreken van invaliditeit, stand kon houden. Medische adviezen van artsen en psychiaters concludeerden dat de klachten van eiseres niet het gevolg waren van een posttraumatische stressstoornis, maar van persoonlijkheidsproblemen die voornamelijk voortkomen uit haar opvoeding en sociale omstandigheden. De Raad vond deze medische onderbouwing deugdelijk en kon het standpunt van eiseres niet volgen.

De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Wel werd verweerster deels veroordeeld in de proceskosten van eiseres. De Raad benadrukte dat slechte levensomstandigheden tijdens de oorlog niet doorslaggevend zijn voor de toekenning van de toeslag en dat de medische diagnose PTSS niet is gesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de toeslag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.

Uitspraak

03/2725 WUBO + 04/1231 WUBO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Onder dagtekening 6 mei 2003, kenmerk JZ/I/2003/243, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Bij dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd de afwijzing van een aanvraag van eiseres om haar als burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te brengen voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet, dit op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.
Tegen dit besluit heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met als bijlage een nadere getuigenverklaring, is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Op grond van de nog ingebrachte getuigenverklaring heeft verweerster alsnog erkend dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. In verband hiermee heeft verweerster het genoemde besluit van 6 mei 2003 bij besluit van 20 januari 2004, kenmerk JZ/070/2004, ingetrokken doch de afwijzing van de inleidende aanvraag niettemin gehandhaafd, thans op - aan medisch advies van haar geneeskundig adviseur, de arts P. Windels d.d. 19 december 2003 ontleende - grond dat geen sprake is van uit de in aanmerking te nemen oorlogservaringen van eiseres voortvloeiende invaliditeit.
Ook tegen laatstgenoemd besluit is namens eiseres beroep ingesteld. In het beroepschrift, nadien schriftelijk aangevuld, heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven waarom eiseres zich met dit nadere besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 9 september 2004 heeft de Raad het onderzoek geschorst en daarna is het onderzoek heropend.
Eiseres heeft vervolgens op 15 december 2004 nog doen inzenden een over haar psychische gezondheid uitgebrachte rapportage van de psychiater P.W. Post te Amsterdam.
Verweerster heeft daarop schriftelijk gereageerd, onder inzending van een commentaar van haar geneeskundig adviseur, de arts A.M. Koop, van 30 december 2004.
De gedingen zijn opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005.
Aldaar is eiseres in persoon verschenen met bijstand van mr. Bierenbroodspot voornoemd als haar raadsvrouw, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Gelet op het bepaalde in de artikelen 6: 18 en 6: 19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in de onderhavige gedingen ten gronde aan de orde de vraag of het nadere besluit van verweerster van 20 januari 2004 in rechte kan standhouden. Bij het beroep tegen het, ingetrokken, besluit van 6 mei 2003 heeft eiseres geen belang meer, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De beoordeling van het nog aan de orde zijnde geding spitst zich, gelet op hetgeen namens eiseres terzake is aangevoerd, toe op beantwoording van de vraag of verweerster terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat de in aanmerking te nemen oorlogservaringen van eiseres niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Bij haar aanvraag van oktober 2001 heeft eiseres, in 1938 geboren in het voormalige Nederlands-Indië, aangevoerd dat zij gezondheidsklachten, met name psychische klachten, heeft ten gevolge van hetgeen zij heeft meegemaakt tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daaropvolgende periode van ongeregeldheden, de zogenoemde Bersiap-periode. Daartoe is in de loop van de aanvraag- en bezwaarprocedures gewezen op de confiscatie van hun woonhuis door de Japanners, het getuige zijn van mishandeling van hun, krijgsgevangen, vader door de Japanners, alsmede hun vlucht naar het Tjihapit-kamp en het meemaken van beschietingen aldaar tijdens de Bersiap-periode.
Het door verweerster ingenomen standpunt, dat bij eiseres geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van haar in aanmerking te nemen oorlogservaringen, is in overeenstemming met aan verweerster door haar geneeskundig adviseurs uitgebrachte, hiervoor vermelde adviezen. Deze adviezen berusten op de resultaten van een vanwege verweerster door de arts R.J. Roelofs op 12 november 2003 ingesteld onderzoek van eiseres, alsmede op uit de behandelende sector verkregen informatie, waaronder met name een verklaring van de psychiater P.H. van Ham met wie eiseres in de herfst van 2003 tweemaal heeft gesproken.
In de adviezen is aangegeven dat, mede gezien de rapportage van Van Ham, de klachten van eiseres niet zozeer zijn terug te voeren op een posttraumatische stressstoornis (PTSS) - waarvan de symptomen te gering zijn om die diagnose te kunnen stellen - maar op gebreken in de persoonlijkheidsvorming, toe te schrijven aan, onder meer, opvoedingsklimaat en sociaal-maatschappelijke factoren. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiseres in de Japanse tijd is opgegroeid in een weinig veilige, weinig affectieve, weinig stimulerende omgeving (moeder had geen tijd, geen aandacht, geen structuur en regelmaat in huis), terwijl eiseres na de oorlog veel problemen heeft gehad met haar, strenge, vader. Eenmalige, kortdurende gebeurtenissen, zoals de door eiseres aangevoerde calamiteiten, hebben op de persoonlijkheidsproblematiek geen tot hooguit minimale invloed, aldus de adviezen.
De Raad acht het standpunt van verweerster met deze adviezen naar behoren voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. In hetgeen namens eiseres naar voren is gebracht heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het in die adviezen verwoorde medisch standpunt onjuist te oordelen.
Hierbij acht de Raad van groot belang dat de door de arts Roelofs in zijn rapport geconstateerde persoonlijkheidspathologie bevestiging vindt in de namens eiseres ingebrachte rapportage van de psychiater Post. Onbestreden is voorts de medische opvatting dat een zodanige persoonlijkheidspathologie niet of nauwelijks wordt beïnvloed door kortdurende gebeurtenissen als de door eiseres gestelde, en door verweerster deels aanvaarde, oorlogscalamiteiten. Anders dan eiseres kennelijk meent kunnen, naar vaste rechtspraak van de Raad, door de oorlogsomstandigheden mede veroorzaakte slechte levensomstandigheden voor de toepassing van de Wet niet als doorslaggevende factor in de beoordeling worden betrokken, ook niet in het kader van het door verweerster gevoerde, zogenoemde SOT-beleid.
Verder acht de Raad van belang dat noch de arts Roelofs, noch de psychiater Van Ham bij eiseres tot de diagnose PTSS is gekomen. In dit licht kan de Raad aan het, andersluidende, oordeel van de psychiater Post, inhoudende dat bij eiseres naast de persoonlijkheidspathologie ook sprake is van een PTSS, niet het door eiseres gewenste, doorslaggevende gewicht toekennen. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat ook de psychiater Post bij zijn eindconclusie dat bij eiseres sprake is van psychische invaliditeit, de aan het geheel van de levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren toe te schrijven persoonlijkheidpathologie op de voorgrond stelt.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit van 20 januari 2004 in rechte kan standhouden. Het hiertegen ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, in aanmerking genomen dat het beroep tegen het besluit van 6 mei 2003 heeft geleid tot een wezenlijke wijziging van het daarin neergelegde standpunt, wel termen aanwezig om verweerster ten dele te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welk deel is begroot op € 322,- als kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de indiening van het beroepschrift tegen genoemd besluit (1 punt).
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2003 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.