ECLI:NL:CRVB:2005:AT5213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- M. Gunter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering te veel betaald AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1992 een AOW-pensioen voor een ongehuwde en gaf pas in 1999 aan sinds 1995 samen te wonen met een partner. Gedaagde, de Sociale verzekeringsbank, herzag het pensioen en vorderde een bedrag van f 26.443,36 terug wegens te veel betaalde AOW. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond wegens onjuiste toepassing van terugvorderingsregels voor de periode 1995-1996.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant inderdaad een gezamenlijke huishouding voert sinds juni 1995, zoals ondersteund door het samenlevingscontract en feitelijke omstandigheden. De Raad bevestigt dat gedaagde bevoegd was tot terugvordering van te veel betaald pensioen over de periode 1995-1996, maar matigt het bedrag met een kwart.
Verder wijst de Raad de procedurele klachten van appellant af, waaronder het late toezenden van het verweerschrift en het vermeende gebrek aan rechterlijke onafhankelijkheid. De terugvordering vanaf 1 augustus 1996 wordt eveneens bevestigd, omdat appellant geen dringende redenen heeft aangevoerd om hiervan af te zien. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van te veel betaald AOW-pensioen wordt ongegrond verklaard met matiging van de terugvordering over de periode 1995-1996.