ECLI:NL:CRVB:2005:AT5216
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- C.J.W. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering bij minder dan 15% arbeidsongeschiktheid zonder toename medische beperkingen
De zaak betreft de herziening van een WAO-uitkering van een gedaagde die minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht zonder toename van medische beperkingen. Na het staken van zijn werkzaamheden als lasser in 1997 ontving gedaagde een WAO-uitkering die in 1998 werd ingetrokken vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Vervolgens verrichtte hij ander werk, maar meldde zich ziek in 1999. Medische onderzoeken stelden vast dat er weliswaar sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van 1998, maar de arbeidskundige beoordeling wees uit dat het verdienverlies minder dan 15% bedroeg, waardoor geen WAO-uitkering werd toegekend.
De rechtbank had eerder de besluiten vernietigd omdat zij vond dat een arbeidskundige beoordeling per 4 oktober 2001 noodzakelijk was en dat de maatstaf voor arbeid niet de laatst geselecteerde functies waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat artikel 43a van de WAO ziet op toename van medische beperkingen en dat bij het ontbreken daarvan een arbeidskundige beoordeling achterwege kan blijven. De medische beoordeling dat de beperkingen ongewijzigd waren, werd als zorgvuldig en juist beschouwd.
Verder bevestigt de Raad dat de laatst geselecteerde functies voor de WAO-schatting ook de maatstaf vormen voor de beoordeling van aanspraken op ziekengeld. De eerdere vernietigingen van de besluiten worden daarom herroepen en de besluiten blijven in stand. De Raad acht geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten tot weigering van WAO-uitkering en ziekengeld worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.