ECLI:NL:CRVB:2005:AT5265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen naar gehuwdennorm wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 juni 1992 een AOW-pensioen op basis van de ongehuwdennorm. Naar aanleiding van een onderzoek naar haar leefsituatie met haar partner werd vastgesteld dat zij vanaf 1 januari 1996 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit leidde tot een herziening van haar pensioen naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht.
De Raad beoordeelde de situatie in twee periodes, voor en na 2 januari 1998, waarbij de definitie van gezamenlijke huishouding in de AOW werd gewijzigd. In beide periodes bleek uit de feiten dat appellante en haar partner gezamenlijk in dezelfde woning verbleven, samen zorg droegen en beiden bijdroegen aan de huishoudkosten.
De Raad oordeelde dat appellante geen recht had op het pensioen volgens de ongehuwdennorm vanaf 1996 en dat de herziening door de Sociale Verzekeringsbank terecht was. Ook werd vastgesteld dat er geen dringende redenen waren om van de herziening af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm bevestigd.