ECLI:NL:CRVB:2005:AT5268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verrekening kinderbijslag met Duitse vordering niet toegestaan
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om haar kinderbijslag in te houden ter verrekening met een terugvordering van het Duitse Arbeitsamt aan haar echtgenoot. De Svb had de kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal 2000, terwijl het Duitse Kindergeld al vanaf april 1998 was beëindigd en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verrekening in overeenstemming was met artikel 111 van Pro Verordening (EEG) nr. 574/72. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze verrekening niet mogelijk is omdat de vordering van het Arbeitsamt op de echtgenoot rust, terwijl de kinderbijslag aan appellante wordt toegekend. De echtgenoot kan niet als rechthebbende worden aangemerkt in de zin van artikel 111, tweede lid, van de verordening.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt dat de Svb een nieuw besluit neemt. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten en wijst vergoeding van het griffierecht toe. De zaak benadrukt de strikte toepassing van Europese regelgeving bij verrekening van sociale zekerheidsuitkeringen tussen lidstaten.
Uitkomst: Het besluit tot inhouding van kinderbijslag ter verrekening met de Duitse vordering wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.