ECLI:NL:CRVB:2005:AT5383

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4784 AKW + 3/4931 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 5 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag en opgelegde boete wegens onvoldoende onderhoudsplicht

Appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van de Sociale verzekeringsbank om kinderbijslag toe te kennen over diverse kwartalen voor zijn kinderen Menno en Willem, alsmede tegen de aan hem opgelegde boete van €374,37.

De Raad stelde vast dat Menno niet voldeed aan de voorwaarden voor kinderbijslag, omdat hij niet onderwijsvolgend, arbeidsongeschikt of werkloos was in de betreffende kwartalen. Voor Willem kon appellant niet aantonen dat hij hem in belangrijke mate had onderhouden, ondanks een betaling in juli 2000 die slechts aan het derde kwartaal van 2000 kon worden toegerekend.

De Raad oordeelde dat de weigering van kinderbijslag en de boete terecht waren opgelegd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Middelburg. Er werden geen gronden gevonden om het besluit te vernietigen of artikel 8:75 Awb Pro toe te passen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; weigering kinderbijslag en boete bevestigd.

Uitspraak

03/4784 AKW + 3/4931 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 13 augustus 2003, reg. nrs. Awb 03/36 en Awb 03/37, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de weigering van gedaagde om appellant over het vierde kwartaal van 1999 tot en met het derde kwartaal van 2000 voor Menno en over het vierde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2000 voor Willem kinderbijslag toe te kennen en de door gedaagde aan appellant opgelegde boete van € 374,37, in rechte stand kunnen houden.
De Raad stelt vast dat door appellant niet wordt betwist dat Menno (geboren op 31 januari 1983) in de in geding zijnde kwartalen niet onderwijsvolgend, arbeidsongeschikt of werkloos was. Reeds hieruit volgt dat gedaagde terecht geweigerd heeft kinderbijslag over deze kwartalen toe te kennen.
De Raad stelt voorts vast dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij Willem (geboren op 4 september 1984) in de in geding zijnde kwartalen in belangrijke mate heeft onderhouden. Weliswaar is blijkens een bankafschrift in juli 2000 f 3600,-- (€ 1633,61) door appellant aan Willem overgemaakt onder vermelding van levensonderhoud en studie 7/99-7/00, maar volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan die betaling enkel worden toegerekend aan het kwartaal waarin zij is verricht, het derde kwartaal van 2000, en niet aan de in geding zijnde kwartalen. Uit het voorgaande volgt dat gedaagde terecht geweigerd heeft kinderbijslag toe te kennen voor Willem over het vierde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2000.
Appellant heeft eerst ter zitting duidelijk gemaakt dat het hoger beroep mede ziet op de aan hem opgelegde boete. Appellant heeft enkel gesteld dat hij het niet eens is met de boete. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het besluit van 10 december 2002, waarbij gedaagde de boete heeft gehandhaafd, onjuist is.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M. Gunter.