ECLI:NL:CRVB:2005:AT5627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid voorzieningenrechter en verzekeringsplicht in dienstbetrekking tussen echtgenote en vennootschap
Appellante was vanaf 1995 werkzaam in een administratieve functie bij een besloten vennootschap waarvan haar echtgenoot directeur en enig aandeelhouder was. Na onderzoek werd vastgesteld dat zij niet langer verplicht verzekerd was voor sociale werknemersverzekeringen vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
Na indiensttreding per 1 januari 2002 bij een andere vennootschap, eveneens van haar echtgenoot, werd zij een faillissementsuitkering en later een WW-uitkering toegekend, die met terugwerkende kracht werden ingetrokken omdat zij niet als verzekerd kon worden beschouwd. Appellante stelde dat zij wel een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie had vanwege de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
De voorzieningenrechter deed op grond van artikel 8:86 Awb Pro onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak en verklaarde het beroep ongegrond. De Raad overwoog dat de arbeidsrelatie niet wezenlijk was gewijzigd en er geen gezagsverhouding bestond, mede gezien de nauwe verwevenheid van de ondernemingen en de omstandigheden van appellante als echtgenote van de directeur-grootaandeelhouder.
De Raad bevestigde dat het niet aannemelijk was dat nader onderzoek nodig was en dat het enkele feit van inhouding van WW-premies op het loon geen verzekeringsplicht impliceert. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen verzekeringsplichtige dienstbetrekking bestond en verklaart het beroep ongegrond.