ECLI:NL:CRVB:2005:AT5814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding immateriële schade wegens vertraagde AOW-uitkering
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale verzekeringsbank (SVB) over de hoogte en uitbetaling van zijn AOW-pensioen. Na vertraging in de toekenning van het pensioen werd uiteindelijk een gedeeltelijk verhoogd pensioen toegekend. Appellant vorderde daarnaast vergoeding van materiële en immateriële schade vanwege de vertraging.
De rechtbank stelde vast dat het materiële geschil over het pensioen was opgelost met het besluit van 5 februari 2002, dat het pensioen verhoogde naar 96% van het maximale bedrag. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van immateriële schade af omdat appellant onvoldoende causaal verband had aangetoond tussen de emotionele schade en de vertraging. Materiële schadevergoeding werd beperkt tot wettelijke rente over de achterstallige betalingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de emotionele schade niet kwalificeerbaar is als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro. Daarnaast werd benadrukt dat de wettelijke rente een passende compensatie vormt voor de vertraging in de uitbetaling van het pensioen. Appellant maakte noch het bestaan noch de omvang van de materiële schade aannemelijk.
De Raad oordeelde dat het beroep gegrond was voor zover het pensioen betrof, maar het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De wettelijke rente over de achterstallige AOW-uitkering wordt toegekend vanaf 1 april 2001.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, wettelijke rente over vertraagde AOW-uitkering wordt toegekend.