ECLI:NL:CRVB:2005:AT5879
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als oorlogsgetroffene wegens onvoldoende bewijs vervolging
Eiser, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als oorlogsgetroffene en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij ondergedoken was geweest en een dag opgesloten in een cel van de Kempetai in Malang.
Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet. De Raad oordeelde dat er geen bevestiging was van de gevraagde vrijheidsberoving en dat ook geen aanwijzingen waren voor onderduik vanwege dreigend gevaar.
Daarnaast nam de Raad mee dat eiser in het sociaal rapport verklaarde zelfgemaakte zeep te hebben verkocht en brandweerman was geweest tijdens de bezetting, wat het beeld van vervolging niet ondersteunde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vervolging en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.