ECLI:NL:CRVB:2005:AT6008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1497 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken werknemerschap

Appellant, directeur en grootaandeelhouder van zijn persoonlijke vennootschap, verrichtte management- en andere werkzaamheden voor diverse opdrachtgevers. Hij ontving voor 2002 en 2003 een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) van de Belastingdienst waarin hij als zelfstandige werd aangemerkt. Appellant verzocht het Gak Nederland B.V. om een zelfstandigheidsverklaring, maar kreeg geen adequate reactie.

In augustus 2002 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd omdat hij niet als werknemer in de zin van de WW werd gezien. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet had betwist dat hij niet als werknemer kon worden aangemerkt voor zijn laatste werkzaamheden.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Hoewel het UWV niet adequaat reageerde op het verzoek om een zelfstandigheidsverklaring, leidt dit niet tot een andere uitkomst. De aanvraag voor de WW-uitkering was terecht afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het werknemerschapvereiste. De Raad bevestigt de uitspraak en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd.

Uitspraak

04/1497 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 januari 2004 met kenmerk 03/313.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 april 2005, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant verricht via zijn persoonlijke vennootschap [naam bedrijf], waarvan hij directeur/grootaandeelhouder is, voor verschillende opdrachtgevers management- en andere werkzaamheden. Met betrekking tot de jaren 2002 en 2003 is hem door de belastingdienst een verklaring arbeidsrelatie (VAR) verstrekt, waarbij hij als zelfstandige is aangemerkt. Bij brief van 3 oktober 2001 heeft appellant aan Gak Nederland B.V. (gedaagdes rechtsvoorganger) verzocht hem te bezoeken in verband met zijn wens om over een zelfstandigheidsverklaring van het Gak te beschikken. Nadat appellant van de zijde van het Gak telefonisch bericht had ontvangen dat aan dit verzoek niet kon worden voldaan, heeft appellant bij brief van 26 oktober 2001 zijn verzoek herhaald om als zelfstandige erkend te worden. Op dit verzoek is door gedaagde niet gereageerd. Op 2 augustus 2002 heeft appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een WW-uitkering te verstrekken, op de grond dat appellant laatstelijk niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij als werknemer werkzaam is geweest.
Bij besluit van 20 december 2002 heeft gedaagde het primaire besluit gehandhaafd. In eerstgenoemd besluit heeft gedaagde gemotiveerd uiteengezet dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt en dat met betrekking tot de sociale werknemersverzekeringen geen verklaring kan worden afgegeven welke betrekking heeft op alle arbeidsrelaties gedurende een bepaalde periode.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 december 2002 ongegrond verklaard. Zij heeft vastgesteld dat appellant in beroep niet heeft bestreden dat hij met betrekking tot de werkzaamheden welke hij laatstelijk via [werkgever 1] bij [werkgever 2] verrichtte niet als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd, en heeft geoordeeld dat gedaagde het besluit om appellant geen WW-uitkering toe te kennen terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd. De door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring en de voor hem bestaande noodzaak om via tussenbureaus te werken kunnen volgens de rechtbank niet leiden tot vernietiging van het in beroep bestreden besluit.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Met betrekking tot de in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden overweegt de Raad het volgende.
De Raad leidt uit de gedingstukken af dat appellant met zijn aanvraag om een WW-uitkering heeft beoogd duidelijkheid te verkrijgen over het karakter van zijn arbeidsverhoudingen tot zijn verschillende opdrachtgevers. Zijn bezwaren tegen de afwijzing van deze aanvraag zijn in feite gericht tegen de weigering van gedaagde om zijn verzoek in te willigen om hem een zelfstandigheidsverklaring te verstrekken en hem als zelfstandig ondernemer te erkennen. De Raad stelt vast dat gedaagde niet adequaat heeft gereageerd op de brieven van appellant van 3 en 26 oktober 2001 waarin appellant om een zelfstandigheidsverklaring heeft verzocht, en pas bij het besluit op bezwaar inhoudelijk op dit verzoek is ingegaan. Deze vaststelling kan naar het oordeel van de Raad echter geen afbreuk doen aan de conclusie dat de aanvraag voor een WW-uitkering welke aan het thans voorliggende geschil ten grondslag ligt terecht is afgewezen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) A. Kovács.