ECLI:NL:CRVB:2005:AT6270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over co-ouderschap en recht op kinderbijslag
De zaak betreft een geschil over het recht op kinderbijslag in het kader van co-ouderschap na echtscheiding. Gedaagde en zijn ex-echtgenote hadden verzocht om de kinderbijslag gelijk verdeeld uit te betalen vanwege co-ouderschap. Appellant stopte de uitbetaling aan gedaagde per april 2001, waarna gedaagde bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en oordeelde dat sprake was van co-ouderschap volgens het Besluit ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat geen sprake was van een overeenkomst als bedoeld in artikel 5a van het Besluit en betwistte dat de verzorging en het onderhoud gelijk verdeeld waren. Gedaagde stelde dat de kinderen ongeveer drie nachten per week bij hem verbleven en dat hij een groter deel van het onderhoud betaalde. De Raad constateerde dat appellant in strijd met artikel 7:4 Awb Pro gedaagde geen inzage gaf in het volledige dossier, waaronder het bezwaarschrift van de ex-echtgenote, waardoor gedaagde onvoldoende gelegenheid had zijn bezwaren te onderbouwen.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende rekening hield met het feit dat ex-echtelieden als wederzijdse belanghebbenden in elkaars aanwezigheid horen te worden gehoord. De grief dat geen sprake was van een overeenkomst werd door appellant ter zitting niet langer gehandhaafd. De Raad bevestigde dat bij een verzorgingsverdeling van ongeveer 3/7 en 4/7 sprake kan zijn van overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover de rechtbank zelf had voorzien en bepaalde dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover de rechtbank zelf heeft voorzien en bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.