ECLI:NL:CRVB:2005:AT6384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering bij gelijkblijvende psychische klachten
Appellant, werkzaam als medewerker tabaksvoorbewerking, viel in 1986 uit na een val en ontving vanaf 1987 een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In 2001 vond een herbeoordeling plaats waarbij verzekeringsarts Gart een belastbaarheidsprofiel opstelde dat lichte werkzaamheden mogelijk achtte en beperkingen adviseerde vanwege spanningshoofdpijn.
Op basis van dit profiel en een arbeidsdeskundig rapport werd het verlies aan verdiencapaciteit berekend op circa 37%, waarna de WAO-uitkering werd herzien naar 35-45%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat bij gelijkblijvende klachten een lagere mate van arbeidsongeschiktheid onbegrijpelijk was.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat de systematiek van de WAO een lagere vaststelling op arbeidskundige gronden toelaat, ook bij gelijkblijvende klachten. Er was geen nieuw medisch bewijs dat het primaire oordeel zou ondermijnen.
Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.