ECLI:NL:CRVB:2005:AT6395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit correctie- en boetenota's kinderopvangregeling brutoloon
Appellante voerde beroep aan tegen correctie- en boetenota's opgelegd door het UWV over de jaren 1995 tot en met 1999, die betrekking hadden op het in mindering brengen van kinderopvangkosten op het brutoloon van werknemers binnen haar kinderopvangregeling. De rechtbank verklaarde het beroep deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk. In hoger beroep stelde appellante dat het beleid van het UWV niet bindend was en dat de kinderopvangregeling al vóór 1999 op dezelfde wijze werd toegepast.
De Raad stelde vast dat het geschil zich richtte op de vraag of de kinderopvangregeling van appellante een reële loonsverlaging inhield. Het UWV voerde aan dat de loonsverlaging niet volledig was gerealiseerd en dat er feitelijk sprake was van een lening, terwijl appellante stelde dat de regeling door de belastingdienst was geaccepteerd. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de regeling niet werd geaccepteerd en dat de belastingdienstacceptatie niet zonder betekenis was.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet kon worden gedragen door de summiere motivering en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking hadden op de kinderopvangregeling. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over correctie- en boetenota's betreffende de kinderopvangregeling wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.