ECLI:NL:CRVB:2005:AT6459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en maatmaninkomen bij arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalige lasser bij een autofabriek, was sinds 1989 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Gedaagde heeft deze uitkering herzien, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de berekening van het maatmaninkomen onjuist was, onder meer vanwege het niet meenemen van pensioen- en reiskostentoeslagen.
De rechtbank verklaarde de beroepen grotendeels ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat er geen objectieve medische onderbouwing was om aan te nemen dat appellant niet in staat was tot lichte en niet-stresserende werkzaamheden. Ook de bezwaren tegen de berekening van het maatmaninkomen, zoals het niet meenemen van extra reisdagen en vakantiedagen en het werkgeversaandeel in pensioenpremies, werden verworpen vanwege gebrek aan bewijs en rechtspraak.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat de herzieningen van de WAO-uitkering en de vaststelling van het maatmaninkomen rechtens standhouden. De leeftijd van appellant en zijn mogelijke doelgroepstatus voor de Wet Sociale Werkvoorziening werden niet als doorslaggevend beschouwd voor de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering en de vaststelling van het maatmaninkomen worden bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.