ECLI:NL:CRVB:2005:AT6659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premienaanslag wegens feitelijk werkgeverschap schoonmaakbedrijf
Appellant voerde beroep aan tegen een premienaanslag van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de jaren 1995 tot en met 1998, opgelegd wegens niet opgegeven lonen van werknemers bij het schoonmaakbedrijf [B&S]. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant in de periode vóór 1 april 1998 als werkgever kon worden aangemerkt, hoewel het bedrijf formeel op naam stond van [F.S.]. Uit verklaringen van appellant en [F.S.] blijkt dat appellant feitelijk het bedrijf leidde en de contacten met opdrachtgevers en werknemers onderhield, terwijl [F.S.] slechts als schijnbare eigenaar fungeerde.
De Raad oordeelt dat de feitelijke situatie doorslaggevend is en dat appellant terecht als werkgever wordt beschouwd. Ook de stelling dat verklaringen onder druk zijn afgelegd, wordt verworpen omdat de verklaringen overeenstemmen en niet zijn ingetrokken. De premienaanslag wegens niet opgegeven lonen wordt daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant als feitelijk werkgever wordt aangemerkt en de premienaanslag terecht is opgelegd.