ECLI:NL:CRVB:2005:AT6666

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1480 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit premienaheffing en niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens prematuur bezwaar

Appellant, een ondernemer in het enten van rozenstammen, was ingeschreven als werkgever en had betalingen gedaan aan gelegenheidswerkers en zelfstandigen. Tijdens een boekenonderzoek in 2000 werden verschillen geconstateerd en aangekondigd dat er aanvullende premienota's zouden volgen. Appellant maakte bezwaar tegen deze nota's, maar dit bezwaar werd door de rechtbank ongegrond verklaard.

De Raad oordeelt dat het bezwaar van appellant prematuur was omdat het was gericht tegen een nota die nog niet als besluit was genomen. De brief van 1 december 2000 kondigde een correctiebesluit aan, maar dit besluit was op dat moment nog niet genomen, zodat het bezwaar niet ontvankelijk was. Daarnaast heeft de Raad geoordeeld dat de bijdragen voor bedrijfstakfondsen geen publiekrechtelijk besluit vormen waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend bezwaar en het besluit van 13 juni 2001 wordt vernietigd.

Uitspraak

04/1480 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft J.R. Beukema, adviseur sociale zekerheid van Juricon Adviesgroep te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 1 maart 2004 onder kenmerk 02/4987 tussen partijen gewezen uitspraak.
Bij brief van 10 maart 2005 zijn nadere stukken ingediend.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant voert een bedrijf dat is gespecialiseerd in het enten van rozenstammen. Hij heeft zich met ingang van 1 juli 1997 bij gedaagde ingeschreven als werkgever. In 1997 en 1998 heeft appellant betalingen gedaan aan drie, respectievelijk vier zogenaamde gelegenheidswerkers voor door hen verrichte werkzaamheden. Daarnaast heeft hij in die jaren betalingen gedaan voor werkzaamheden die door appellant zijn uitbesteed aan door hem als zelfstandige ondernemers aangeduide personen. Deze betalingen bleken tijdens een op 8 mei 2000 verricht boekenonderzoek. Het daarop betrekking hebbende schriftelijke verslag is aan appellant bij brief van 1 december 2000 ter kennis gebracht. In die brief wordt melding gemaakt van bij de controle geconstateerde verschillen en worden aanvullende premienota’s aangekondigd. De brief maakt melding van de mogelijkheid daartegen bezwaar in te stellen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Namens appellant is hiertegen bij brief van 11 januari 2001 bezwaar gemaakt.
Op 13 juni 2001 is een correctienota aan appellant verzonden, die betrekking heeft op de jaren 1997 en 1998 en naast de premies voor de wettelijke verplichte werknemersverzekeringen tevens bijdragen voor bedrijfstakfondsen omvat.
Bij besluit van 29 november 2002 zijn de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.
De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
In het in beroep bestreden besluit is (tevens) de correctienota van 13 juni 2001 heroverwogen. Ook de rechtbank is hiervan klaarblijkelijk uitgegaan. Hiermee heeft de rechtbank in navolging van gedaagde miskend dat het bezwaarschrift van 11 januari 2001 niet kan worden aangemerkt als een prematuur tegen die correctienota gericht bezwaarschrift. Gelet op de tekst van de brief van 1 december 2000 waarin uitdrukkelijk te kennen wordt gegeven dat een correctiebesluit (nog) zal volgen kon appellant daaruit naar het oordeel van de Raad niet redelijkerwijs afleiden dat een zodanig besluit door gedaagde reeds was genomen. Voor zover het correctiebesluit van 13 juni 2001 ziet op premies voor bedrijfstakregelingen heeft de beslissing daarenboven geen publiekrechtelijk karakter en is het in zoverre geen besluit waartegen de Awb bezwaar openstelt.
De brief van 1 december 2000 bevat, naar in het bezwaarschrift ook is onderkend, geen beslissing en is, in weerwil van de vermelding in de brief, geen besluit waartegen bezwaar kon worden ingesteld.
Het vorenstaande voert tot de conclusie dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen. De rechtbank had daarom het beroep gegrond moeten verklaren en, zelf voorziende, het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad zal, onder vernietiging van de aangevallen uitspraak, doen wat de rechtbank had behoren te doen.
Gedaagde zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 juni 2001;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde proceskosten ad € 644,--, te betalen aan appellant door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde recht in beide instanties van € 131,-- vergoedt.
Gegeven door door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.
(get). R.C. Schoemaker.
(get). M. Renden.