ECLI:NL:CRVB:2005:AT6772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R.C. Stam
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over loonbegrip CAO-maaltijden in sociale verzekeringswetgeving
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Assen die het beroep van gedaagde tegen boetes wegens het niet verantwoorden van CAO-maaltijden in de loonadministratie gegrond verklaarde.
De kern van het geschil betrof de vraag of het recht op een warme maaltijd voor keukenpersoneel, zoals opgenomen in de CAO horeca, moet worden aangemerkt als loon in natura dat vorderbaar en inbaar is volgens de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Appellant stelde dat dit recht als loon moet worden beschouwd, ook als de maaltijd niet daadwerkelijk wordt genoten.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat loon dat niet is genoten niet als uit dienstbetrekking genoten loon kan worden aangemerkt. Het recht op een warme maaltijd is geen aanspraak in de zin van artikel 4, tweede lid, CSV, omdat het voordeel niet toekomstig en voorwaardelijk is. Bovendien sluit de CAO een geldelijke vergoeding voor niet genoten maaltijden uit. De Raad verwierp het standpunt van appellant dat de maaltijd reeds vorderbaar is zodra werknemers deze wensen, omdat vorderbaarheid vereist dat de werknemer expliciet om de maaltijd verzoekt.
Het hoger beroep werd verworpen en de boetes werden gehandhaafd. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend aan gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de boetes worden gehandhaafd.