ECLI:NL:CRVB:2005:AT7019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/2369 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:16 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing disciplinair ontslag politieambtenaar

De Korpsbeheerder van de Politieregio Limburg-Zuid heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht die het besluit tot disciplinair ontslag van een politieambtenaar wegens ernstig plichtsverzuim vernietigde vanwege onvoldoende motivering van de belangenafweging.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de werking van de uitspraak van de rechtbank zou schorsen, omdat hij meent dat het dienstverband met de politieambtenaar anders hersteld moet worden, wat onwenselijk is.

De voorzieningenrechter overwoog dat het ontslagbesluit niet is vernietigd en dat het bezwaar tegen het ontslagbesluit de werking daarvan niet schorst. De rechtbank heeft slechts bepaald dat een nadere motivering van de belangenafweging nodig is, maar het handhaven van het ontslagbesluit is niet uitgesloten.

Daarom is er geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen en de politieambtenaar blijft geschorst totdat een nieuw besluit is genomen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

05/2369 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, in het geding tussen:
de Korpsbeheerder van de Politieregio Limburg-Zuid, verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 maart 2005, nr. AWB 04/1385 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Hierbij heeft verzoeker tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2.1. Bij besluit van 2 februari 2004 is gedaagde op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie de straf van disciplinair ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim.
2.2. Het door gedaagde tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit van 16 augustus 2004 ongegrond verklaard.
2.3. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank was weliswaar van oordeel dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, maar zij was voorts van oordeel dat verzoeker onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de belangenafweging heeft plaatsgevonden en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en gemotiveerd waarom het onvoorwaardelijke ontslag evenredig is.
3. Ten betoge van zijn spoedeisend belang bij schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker aangevoerd dat hij ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genoodzaakt is een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen die wel haast onvermijdelijk inhoudt dat het dienstverband met gedaagde (uiteindelijk) moet worden hersteld. Verzoeker acht dit zeer onwenselijk. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de aangevallen uitspraak naar alle waarschijnlijkheid in de bodemprocedure geen stand zal houden.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzie-ningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. Het door verzoeker aangeduide (spoedeisend) belang is gelegen in de onwenselijkheid van terugkeer van gedaagde in zijn functie - en van zijn toegang daardoor tot de kantoren en eigendommen van verzoeker - en de daarbij komende financiële consequenties.
4.3. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat het gevolg van de aangevallen uitspraak voor verzoeker niet meer (en niet minder) inhoudt dan dat hij met inachtneming van de overwegingen in die uitspraak, die zien op een nadere motivering inzake de belangenafweging en de niet-onevenredigheid van de opgelegde straf, een nadere beslissing op bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2004 moet nemen. Het handhaven van het ontslagbesluit is door de (overwegingen van) de rechtbank niet op voorhand uitgesloten of vrijwel onmogelijk gemaakt.
In de periode van nadere besluitvorming blijft het aan gedaagde gegeven ontslag in stand. Het besluit van 2 februari 2004 is immers niet door de rechtbank vernietigd terwijl het daartegen gemaakte bezwaar, gegeven artikel 6:16 van Pro de Awb, de werking van dit besluit niet schorst. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van het vereiste spoedeisend belang.
4.4. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.
JvS
2405