ECLI:NL:CRVB:2005:AT7039

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5772 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering gelijkstelling met vervolgde voor WUV-uitkering wegens niet voldoen aan nationaliteit en woonplaats

Eiser, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg een WUV-uitkering aan met de aanvraag om gelijkstelling met een vervolgde op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, en bovendien geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.

Eiser betwistte niet dat hij geen vervolging heeft ondergaan, waardoor de kern van het geschil lag bij de vraag of gelijkstelling met een vervolgde terecht werd geweigerd. De Raad overwoog dat gelijkstelling niet mogelijk is indien niet aan zowel artikel 2 als Pro artikel 3, eerste lid, van de Wet wordt voldaan. Nu eiser niet voldeed aan deze voorwaarden en geen vervolging had ondergaan, was de weigering van de uitkering terecht.

De Raad zag geen reden voor vernietiging van het besluit en wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten en geen vervolging heeft ondergaan.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5772 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HETG EDING
Verweerster heeft onder dagtekening 27 juli 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0495, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het (aanvullend) beroepschrift met bijlagen is uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In oktober 2003 heeft eiser, die op 17 september 1942 is geboren in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 25 februari 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hiertoe is overwogen dat eiser geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan terwijl hij ook niet met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld nu niet is voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden van nationaliteit en woonplaats.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Door eiser wordt niet betwist dat hij geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Derhalve staat in dit geding centraal de vraag of verweerster terecht heeft geweigerd eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijk te stellen met de vervolgde.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van Pro de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van evenvermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als Pro aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan.
Nu niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan en vaststaat dat hij niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteits-vereisten zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om eiser met de vervolgde gelijk te stellen op goede gronden berust.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.