ECLI:NL:CRVB:2005:AT7326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdelijk aansprakelijkheid voor premies werknemersverzekeringen bij inlening en doorlening
Appellante werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premies werknemersverzekeringen die een bedrijf verschuldigd was voor werknemers die appellante had ingeleend en doorgeleend in 1996 en 1997. Zij voerde aan dat geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en dat gedaagde onvoldoende had geprobeerd de premies bij de oorspronkelijke premieplichtige te innen.
De rechtbank oordeelde dat appellante terecht aansprakelijk was gesteld omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijwaring en dat sprake was van een doorleensituatie. Wel werd het beroep deels gegrond verklaard voor de periode vanaf april 1997. In hoger beroep voerde appellante aan dat gedaagde onvoldoende incassobeleid had gevoerd en dat onduidelijkheid bestond over welke entiteit premies verschuldigd was.
De Raad stelde vast dat appellante betalingen had gedaan op facturen van de juiste entiteit en dat gedaagde voldoende had geprobeerd de premies te innen bij de oorspronkelijke premieplichtige. De Raad vond geen reden om de aansprakelijkstelling onjuist te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor de premies werknemersverzekeringen over de periode 1996 tot april 1997.