ECLI:NL:CRVB:2005:AT7374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Uitspraak over de kwalificatie van stamrechtuitkeringen onder het Inkomensbesluit Toeslagenwet
In deze zaak is in hoger beroep beoordeeld of de periodieke uitkering die gedaagde ontvangt uit een stamrecht, dat is gevestigd met een beëindigingsvergoeding van zijn werkgever, onder het toepassingsbereik valt van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet (TW).
De rechtbank had geoordeeld dat de stamrechtuitkering niet als inkomen in verband met arbeid moest worden aangemerkt, omdat gedaagde een vrije keuze had gehad tussen een eenmalige uitkering en het stamrecht, waardoor de uitkering ter vrije besteding was. De appellant, het UWV, bestreed dit oordeel en stelde dat de keuze voor het stamrecht de vrije besteding had uitgesloten.
De Raad stelde vast dat artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit TW een uitzondering maakt voor een eenmalige uitkering na beëindiging van de dienstbetrekking, maar dat deze uitzondering niet ziet op periodieke uitkeringen uit stamrecht. De totstandkomingsgeschiedenis en beleidsregels ondersteunen een restrictieve uitleg, waarbij stamrechtuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking en dus als inkomen in verband met arbeid worden aangemerkt. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat stamrechtuitkeringen als inkomen in verband met arbeid moeten worden aangemerkt.