ECLI:NL:CRVB:2005:AT7580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag werknemer
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd omdat hij zich bij zijn werkgever zodanig had gedragen dat hij redelijkerwijs moest begrijpen dat dit tot ontslag zou kunnen leiden. Het gedrag bestond uit te laat komen, het niet op de juiste wijze ziekmelden en het zonder toestemming opnemen van verlof.
De rechtbank Rotterdam had dit besluit eerder bevestigd en appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad heeft de feiten en overwegingen van de rechtbank overgenomen en geen nieuwe feiten of gronden in hoger beroep aangetroffen.
De Raad benadrukt dat appellant meerdere keren op zijn gedrag is aangesproken en schriftelijk is gewaarschuwd. Hierdoor is sprake van verwijtbaar handelen. Volgens artikel 27, eerste lid, van de Werkloosheidswet leidt dit tot een blijvende volledige weigering van de WW-uitkering, tenzij sprake is van overwegende verminderde verwijtbaarheid, wat hier niet is vastgesteld.
De Raad bevestigt daarom het besluit tot weigering van de WW-uitkering en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door voorzitter M.A. Hoogeveen op 8 juni 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag van appellant.