ECLI:NL:CRVB:2005:AT7584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4793 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep ongegrond verklaard

In deze zaak heeft opposante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de beroepsgronden niet binnen de gestelde termijn van twee weken zijn ingediend. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is verzet ingesteld.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet beoordeeld en vastgesteld dat er geen verontschuldigbare redenen zijn voor het verzuim van opposante. Ook in het verzetschrift zijn geen aanknopingspunten gevonden die het verzuim kunnen rechtvaardigen.

Daarom verklaart de Raad het verzet ongegrond op grond van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro.

De uitspraak is gedaan door voorzitter G. van der Wiel in aanwezigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/4793 CSV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], gevestigd te [vestigingsplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 25 november 2004 is het namens opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2004, registratienummer 03/2522, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft P.J.J. Aniba AA, werkzaam bij De Waard Partners Accountants te Leidschendam, een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 2 mei 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 25 november 2004 steunt kort samengevat hierop, dat de beroepsgronden niet binnen de door de Raad bij aangetekend schrijven van 11 oktober 2004 gestelde termijn van twee weken zijn binnengekomen en dat niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim.
In dit geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposante het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
RB1006