ECLI:NL:CRVB:2005:AT7656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- M.C.M. van Laar
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht directeur-grootaandeelhouder bij faillissement en WW-uitkering
Appellante, voormalig directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap die failliet werd verklaard, vroeg een WW-uitkering aan die werd geweigerd omdat zij niet als werknemer werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat tot 1 april 2002 geen sprake was van een gezagsverhouding en verzekeringsplicht, omdat appellante als bestuurder van een stichting met meerderheid van aandelen invloed had op haar ontslag. Vanaf 1 april 2002 was appellante geen directeur meer maar werkte zij als salarisadministrateur en bleef bestuurder van de stichting, waardoor zij volgens de Raad wel onder de WW-verzekeringsplicht viel op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de WW in samenhang met het Besluit.
Het beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en gedaagde werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan ondubbelzinnige toezeggingen.
Uitkomst: Appellante was vanaf 1 april 2002 verzekerd voor de WW; het eerdere besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.