ECLI:NL:CRVB:2005:AT7861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling grondslagtoekenning WUV-uitkering bij psychische klachten na vervolging
In deze zaak gaat het om de toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). De betrokkene, die in 2002 psychische klachten ontwikkelde als gevolg van de oorlogservaringen en het overlijden van zijn vader, kreeg een uitkering toegekend op het wettelijk minimum. De uitkeringsgrondslag werd vastgesteld op basis van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten.
De erven van betrokkene maakten bezwaar tegen de hoogte van de uitkering, stellende dat de uitkering onvoldoende was om de kosten van medische behandelingen en de lasten van nog inwonende kinderen te dekken. Na het overlijden van betrokkene werd het bezwaar voortgezet door zijn erven. De Pensioen- en Uitkeringsraad handhaafde het besluit dat de uitkering op het wettelijk minimum bleef vastgesteld, omdat betrokkene niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid ten tijde van de aanvraag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wet geen ruimte biedt om de grondslag te verhogen op basis van persoonlijke kosten zoals medische behandelingen of gezinssituatie. De Raad bevestigde dat de vaststelling van de uitkeringsgrondslag op het wettelijk minimum niet onjuist was, mede omdat betrokkene sinds 1997 niet meer werkte vanwege nierklachten die niet samenhingen met de vervolging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WUV-uitkering blijft vastgesteld op het wettelijk minimum.