ECLI:NL:CRVB:2005:AT8032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds augustus 2000 een AOW-uitkering berekend naar de norm voor een ongehuwde. Uit een systeemmelding bleek dat appellant samen met partner op hetzelfde adres stond ingeschreven. Appellant gaf aan sinds 1995 als kostganger bij partner in te wonen. Gedaagde stelde een onderzoek in, inclusief huisbezoek, en concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel bestreden, onder meer met het argument dat sprake zou zijn van een zakelijke kostgangersrelatie. De Raad oordeelde dat dit onvoldoende aannemelijk was, mede omdat er geen schriftelijk kostgangerscontract bestond en betalingen pas recentelijk werden gedaan.
Verder bleek dat appellant ziekelijk was en zorg ontving van partner, dat zij samen kennissen ontvingen en huishoudelijke taken deelden. Dit ging verder dan een kostgangersrelatie. Ook mocht appellant zich in het woonvertrek van partner ophouden, wat meer faciliteiten bood dan gebruikelijk bij kostgangers.
Appellant stelde dat hij mocht vertrouwen dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde vanwege eerdere procedures bij de gemeente, maar de Raad oordeelde dat gedaagde niet gebonden is aan dat oordeel. De Raad bevestigde dat appellant vanaf 1 augustus 2000 geen recht had op een AOW-uitkering volgens de norm voor een ongehuwde en dat herziening terecht was. Er waren geen dringende redenen om van herziening af te zien.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding.