ECLI:NL:CRVB:2005:AT8034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) vanaf november 2000. De Sociale Verzekeringsbank ontving een melding dat haar partner bij haar was komen wonen en stelde een onderzoek in, inclusief een huisbezoek op 16 oktober 2001. Hieruit bleek dat appellante en haar partner gezamenlijk activiteiten uitvoerden en een gezamenlijke huishouding voerden.
De uitkering werd per 1 juli 2001 ingetrokken vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw. Appellante stelde dat haar partner kostganger was en dat zij door persoonlijke omstandigheden niet had gemeld dat hij bij haar woonde. Ook voerde zij aan dat de terugvordering onnodig hoog was door de lange duur tussen huisbezoek en besluit.
De Raad oordeelde dat de financiële bijdrage van de partner niet als commerciële huur kon worden gezien en dat er geen zakelijke overeenkomst bestond. De gezamenlijke huishouding was daarmee aantoonbaar. De informatieplicht van appellante was geschonden. De intrekking van de uitkering was terecht en er waren geen dringende redenen om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.