ECLI:NL:CRVB:2005:AT8105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar WAO-besluit wegens termijnoverschrijding bevestigd
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kende gedaagde een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Gedaagde maakte pro forma bezwaar, maar diende de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn in. Appellant verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit echter en oordeelde dat appellant niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkheid kon besluiten.
In hoger beroep stelde appellant dat de termijn van vier weken voor het indienen van de bezwaarschriftgronden uitdrukkelijk was gesteld en dat verlenging niet mogelijk was. Gedaagde voerde aan dat de termijn niet van openbare orde was en niet fataal mocht zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 Awb een bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen een redelijke termijn worden ingediend en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen.
Gedaagde had de gronden pas na de gestelde termijn ingediend zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigden. De Raad stelde vast dat appellant geen onjuiste toepassing van de Awb had gegeven door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van gedaagde alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het WAO-besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de bezwaarschriftgronden binnen de gestelde termijn.