ECLI:NL:CRVB:2005:AT8105

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5503 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar WAO-besluit wegens termijnoverschrijding bevestigd

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kende gedaagde een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Gedaagde maakte pro forma bezwaar, maar diende de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn in. Appellant verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit echter en oordeelde dat appellant niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkheid kon besluiten.

In hoger beroep stelde appellant dat de termijn van vier weken voor het indienen van de bezwaarschriftgronden uitdrukkelijk was gesteld en dat verlenging niet mogelijk was. Gedaagde voerde aan dat de termijn niet van openbare orde was en niet fataal mocht zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 Awb een bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen een redelijke termijn worden ingediend en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen.

Gedaagde had de gronden pas na de gestelde termijn ingediend zonder bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigden. De Raad stelde vast dat appellant geen onjuiste toepassing van de Awb had gegeven door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van gedaagde alsnog ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het WAO-besluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de bezwaarschriftgronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

03/5503 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 5 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Tegen dit besluit heeft gedaagde bij brief van 15 augustus 2002 een zogenaamd pro forma bezwaar bij appellant gemaakt.
Onder dagtekening 23 september 2002 heeft appellant aan gedaagde verzocht om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan te geven op grond waarvan zij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2002.
Bij brief van 23 oktober 2002 heeft gedaagde haar bezwaar gemotiveerd.
Bij besluit van 28 november 2002 heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Het door gedaagde tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem bij uitspraak van 22 september 2003, reg.nr. 02/2789 WAO, gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank voorts het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde met inachtneming van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 mei 2005, waar namens appellant is verschenen J. de Graaf, werkzaam bij het Uwv, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, [naam echtgenoot].
II. MOTIVERING
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit, waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat gedaagde de gronden van haar bezwaar niet tijdig kenbaar heeft gemaakt, voor vernietiging in aanmerking komt. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat appellant bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.
In hoger beroep voert appellant aan dat de maximale termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar vier weken is en gedaagde daarop ook uitdrukkelijk is gewezen. Haar is medegedeeld dat uitstel van de termijn niet zou worden verleend en het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard indien de gronden na het verstrijken van de termijn zouden worden ontvangen.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de termijn om het verzuim te herstellen niet van openbare orde is of anderszins fataal en de wet niet dwingt tot niet-ontvankelijkverklaring. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij gewezen op uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, het gerechtshof 's-Gravenhage en de Hoge Raad der Nederlanden.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan Pro het bezwaar ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Gedaagde heeft de gronden van haar bezwaar in haar brief van 15 augustus 2002 niet vermeld. Zij was derhalve, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, in verzuim. Zij heeft in deze brief aangegeven dat de gronden waarop haar bezwaar is gebaseerd, nog schriftelijk zullen worden doorgegeven, met verzoek haar een termijn te stellen waarbinnen dit uiterlijk moet gebeuren.
Bij brief van 23 september 2002 heeft appellant gedaagde gewezen op haar verzuim. Appellant heeft gedaagde daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van deze brief dit verzuim te herstellen. Hierbij heeft appellant ook uitdrukkelijk vermeld dat, indien gedaagde niet van de gelegenheid gebruik zou maken om de gronden van het bezwaar in te dienen, haar bezwaar in beginsel niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Appellant heeft gedaagde er daarbij tenslotte op gewezen dat een verzoek om verlenging van de gestelde termijn van vier weken niet zou worden gehonoreerd.
Gedaagde heeft de gronden van het bezwaar pas ingediend bij brief van 23 oktober 2002, derhalve buiten de gestelde termijn die, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, op 21 oktober 2002 afliep.
Uit artikel 6:6 van Pro de Awb volgt dat appellant tot niet-ontvankelijkheid mag beslissen indien hij, zoals in dit geval, een redelijke termijn voor het herstel van het verzuim heeft gesteld en deze ongebruikt is verstreken. Het spreekt vanzelf dat de alsnog geboden termijn behoudens bijzondere omstandigheden niet moet worden overschreden, te minder nu appellant in zijn brief van 23 september 2002 gedaagde uitdrukkelijk op de mogelijke gevolgen heeft gewezen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vormen noch het tijdstip waarop het besluit op bezwaar is genomen noch het belang van gedaagde bij een inhoudelijke afdoening van de zaak op zichzelf een bijzondere omstandigheid om van een beslissing als evenbedoeld af te zien.
Voor de termijnoverschrijding is ook geen rechtvaardiging gelegen in de door gedaagde bij de rechtbank aangevoerde omstandigheid, dat zij nog even heeft gewacht met het indienen van de gronden, omdat zij goed wilde kunnen inschatten of zij het werk dat zij sinds eind augustus 2002 had hervat, wel of niet kon volhouden. Niet valt in te zien dat zij daarom niet in staat geacht moest worden tijdig in ieder geval de hoofdlijnen aan te geven waarom zij zich niet kon verenigen met het besluit van 11 juli 2002.
Gelet op het vorenstaande heeft appellant door bij het bestreden besluit het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren geen onjuiste toepassing gegeven aan de hem op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb toekomende bevoegdheid.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak.
Verklaart het door [gedaagde] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.