ECLI:NL:CRVB:2005:AT8156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten herziening WAO-uitkering wegens schending hoorplicht
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, kreeg aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 80-100% toegekend. Na een herbeoordeling werd deze uitkering per 6 januari 1998 herzien naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna haar uitkering per 20 september 1998 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet opnieuw was gehoord over nieuwe feiten en omstandigheden die van aanmerkelijk belang waren voor de beslissing, in strijd met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Centrale Raad oordeelde dat het ontbreken van een nadere hoorzitting een schending van deze wettelijke hoorplicht vormde, aangezien belangrijke medische en arbeidskundige rapporten na de eerste hoorzitting waren ingebracht.
De Raad vernietigde daarom zowel het bezwaarbesluit als het daarop betrekking hebbende besluit tot intrekking van de uitkering. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven echter in stand, omdat de medische en arbeidskundige grondslag van het latere besluit voldoende was. Tevens werd appellante een vergoeding van wettelijke rente toegekend wegens de onrechtmatige intrekking van haar uitkering over de periode van 6 januari tot 20 september 1998.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot betaling van proceskosten en vergoedde het betaalde griffierecht aan appellante. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht bij besluiten die leiden tot verslechtering van de positie van belanghebbenden.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten tot herziening en intrekking van de WAO-uitkering wegens schending van de hoorplicht en wijst vergoeding van wettelijke rente toe.