ECLI:NL:CRVB:2005:AT8179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken arbeidsovereenkomst
Appellant heeft op 1 maart 2002 een arbeidsovereenkomst gesloten met een werkgever voor de functie van general manager tegen een maandsalaris van € 6.500. Toen de werkgever niet aan zijn loonbetalingsverplichting voldeed, vroeg appellant op 9 juli 2002 een WW-uitkering aan. Deze werd op 16 augustus 2002 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard omdat niet kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst bestond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet is geslaagd in het bewijs dat er een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst bestond. Een essentieel kenmerk van een arbeidsovereenkomst is een reële loonbetalingsverplichting, waarvan in dit geval onduidelijk is of die aanwezig was. Appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit aan te tonen.
De Raad laat het in het midden of aan de overige voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan en ziet geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het ontbreken van een arbeidsovereenkomst.