ECLI:NL:CRVB:2005:AT8236

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1648 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • M.C.M. van Laar
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over verzekeringsplicht thuiswerksters

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 februari 2004, waarin het beroep van appellante tegen het besluit van 22 januari 2003 deels gegrond werd verklaard en deels niet-ontvankelijk werd verklaard. De credit-correctienota's betroffen vervallen correcties voor een aantal thuiswerksters, maar niet voor de twee thuiswerksters die eerder door de rechtbank in 1999 als werknemers waren aangemerkt.

De rechtbank had in 1999 vastgesteld dat er een dienstbetrekking bestond tussen appellante en deze twee thuiswerksters en dat de correctienota's terecht waren opgelegd. Tegen die uitspraak was geen rechtsmiddel ingesteld, waardoor deze formele rechtskracht heeft gekregen. Gedaagde had daarna geen nieuw besluit genomen over deze twee thuiswerksters, maar alleen correctienota's uitgegeven voor andere thuiswerksters.

Appellante klaagde dat de onaantastbaarheid van de eerdere uitspraak haar werd tegengeworpen, terwijl de rechtbank in 2001 haar grieven als prematuur had bestempeld. De Raad oordeelde dat ondanks de ongelukkige formulering van de rechtbank in 2001, het hoger beroep niet kon slagen omdat er geen nieuw besluit met rechtsgevolg voor de twee thuiswerksters was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de twee thuiswerksters.

Uitspraak

04/1648 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift van 26 april 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 februari 2004 met kenmerk 03/472.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 april 2005, waar voor appellante zijn verschenen drs. M.A.B. Speetjens, werkzaam bij Marree & Van Uunen belastingadviseurs te Oisterwijk, en N.C.M. van den Houdt, controller, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de feiten die ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak van 16 februari 2004 als vaststaand heeft aangenomen.
Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van gedaagde van 22 januari 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover daarbij het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 21 augustus 2002 ongegrond is verklaard, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 januari 2003.
Het besluit van 22 januari 2003 is een beslissing op het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten van 21 augustus 2002, zijnde credit-correctienota’s die betrekking hebben op vervallen correcties ten aanzien van een aantal voor appellante werkzame thuiswerk(st)ers. Deze credit-correctienota’s hadden echter geen betrekking op de twee thuiswerksters [thuiswerksters] (hierna: [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2]). Ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] had de rechtbank al eerder in haar uitspraak van 31 december 1999 geconcludeerd dat gedaagde voor de jaren toen in geding terecht een dienstbetrekking had aangenomen tussen appellante en hen en dat gedaagde in verband daarmee terecht correctienota’s had opgelegd, terwijl de rechtbank wat betreft de berekening van die correctienota’s het systeem zoals door gedaagde gehanteerd niet onaanvaardbaar achtte. De rechtbank liet het toen bestreden besluit in stand voorzover het betrekking had op [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] en vernietigde het besluit slechts voorzover het betrekking had op de andere thuiswerk(st)ers. Het toen bestreden besluit is ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] in rechte onaantastbaar geworden, nu tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 december 1999 geen rechtsmiddel is aangewend en die uitspraak formele rechtskracht heeft verkregen.
Gedaagde heeft nadien geen nieuw besluit ten aanzien van de verzekeringsplicht of de premielonen van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] genomen, doch slechts de eerdergenoemde credit-correctienota’s ten aanzien van de andere thuiswerk(st)ers afgegeven, waartegen appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend.
In hoger beroep beklaagt appellante zich erover dat haar thans de onaantastbaarheid van het oordeel van de rechtbank van 31 december 1999 wordt tegengeworpen, terwijl de rechtbank in een uitspraak van 9 november 2001 haar grieven tegen de berekeningswijze van de premielonen van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2] als prematuur heeft bestempeld. Hoewel de Raad de formulering van de rechtbank in de uitspraak van 9 november 2001 niet gelukkig acht, kan de Raad in het onderhavige geding toch niet anders concluderen dan dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen, nu er geen besluit voorligt dat rechtsgevolg heeft ten aanzien van [thuiswerkster 1] en [thuiswerkster 2].
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
RB1006