ECLI:NL:CRVB:2005:AT8369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening verlaging WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht om herziening van een beslissing uit 1988 waarbij zijn WAO-uitkering was verlaagd van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek werd gebaseerd op de stelling dat hij destijds en nog steeds volledig arbeidsongeschikt is door psychische beperkingen en dat het eerdere onderzoek onzorgvuldig was.
De Raad van bestuur van het UWV, opvolger van het Lisv, wees het verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening konden rechtvaardigen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep erkende appellant wederom dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuursorgaan terecht het verzoek kon afwijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat appellant niet voldeed aan de eis van het aandragen van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de verlaging van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.