ECLI:NL:CRVB:2005:AT8390

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6487 ALGEM + 04/199 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a BeroepswetArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en veroordeling proceskosten door Centrale Raad van Beroep

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2003. Verzoekers, vertegenwoordigd door mr. R.L.J.J. Vereijken, dienden een verweerschrift in. Het bestuursorgaan trok het hoger beroep op 23 maart 2005 in. Verzoekers verzochten vervolgens om vergoeding van de proceskosten die zij in hoger beroep hadden gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 21a van de Beroepswet, bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding. De Raad achtte het verzoek gegrond en begrootte de proceskosten op € 322,--, uitsluitend voor de kosten van het hoger beroep, aangezien de kosten van de eerste aanleg reeds door de rechtbank waren toegewezen.

De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van deze proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Schoemaker, in aanwezigheid van griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder, en is niet meer vatbaar voor rechtsmiddel.

Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is veroordeeld tot betaling van € 322,-- aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

03/6487 ALGEM + 04/199 ALGEM
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21a van de Beroepswet inzake de kosten van het geding tussen:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], te [woonplaats], verzoekers,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Gedaagde heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2003 tussen partijen gewezen uitspraak.
Mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Roermond, heeft namens verzoekers een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft per fax van 23 maart 2005 het hoger beroep ingetrokken.
Per fax van 1 april 2005 heeft de gemachtigde van verzoekers verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen.
Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
II. MOTIVERING
Artikel 21a van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de kosten kan worden veroordeeld.
De Raad stelt vast dat gedaagde het hoger beroep heeft ingetrokken en dat de gemachtigde van verzoekers bij brief van
1 april 2005 vergoeding van kosten van rechtsbijstand in hoger beroep vordert.
In aanmerking nemende dat van de zijde van verzoekers kosten zijn gemaakt voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, namelijk voor het indienen van een verweerschrift, acht de Raad termen aanwezig om het voorliggende verzoek te honoreren en bedoelde, voor vergoeding in aanmerking komende kosten te begroten op € 322,--.
Daarbij merkt de Raad op dat vergoeding van de proceskosten beperkt dient te worden tot de kosten van het hoger beroep nu gedaagde blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) T. Hemelrijk-van den Oudenalder.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.