ECLI:NL:CRVB:2005:AT8495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C.P.M. van de Kerkhof
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar boetenota’s en afwijzing uitstel betaling
In deze zaak staat centraal de vraag of het bezwaar van appellante tegen correctie- en boetenota’s terecht niet-ontvankelijk is verklaard door gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellante ontkent niet geloofwaardig de ontvangst van de boetenota’s, die identiek geadresseerd en tijdig ontvangen zijn. Omdat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend en geen verschoonbare termijnoverschrijding is gebleken, is de niet-ontvankelijkheid terecht.
Appellante betwist voorts dat zij de premieplichtige werkgever is, omdat in de betreffende jaren haar moedervennootschap de naam van appellante droeg en zij pas in 1998 werd opgericht. De Raad oordeelt dat appellante de premieschulden van de moedervennootschap heeft overgenomen door inbreng van de onderneming en daarmee terecht is aangeslagen.
De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Raad ziet geen reden om dit anders te beoordelen, omdat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt toe te lichten.
Ten slotte wijst de Raad het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat geen ongeclausuleerde toezegging is gebleken, en het verzoek om uitstel van betaling, omdat appellante dit onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De aangevallen uitspraken worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetenota’s en wijst het verzoek om uitstel van betaling af.