ECLI:NL:CRVB:2005:AT8535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering zonder kwijtschelding
Appellant is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) teruggevorderd voor een bedrag van € 2.596,25 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode juni 2000 tot en met april 2001. De rechtbank Rotterdam had het bezwaar van appellant tegen deze terugvordering ongegrond verklaard omdat appellant geen verifieerbare onderbouwing had geleverd voor de stelling dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben.
Appellant stelde in hoger beroep dat de terugvordering onredelijk was en verzocht om vermindering of kwijtschelding. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, namelijk wanneer onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen optreden. In deze zaak waren dergelijke bijzondere omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad wees erop dat de oorzaak van de terugvordering, zoals de traagheid van het Uwv in het terugvorderen, geen reden is om af te zien van terugvordering. Ook het persoonlijke leed van appellant door het overlijden van zijn zoon in 1998 was niet relevant voor de beoordeling. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot kwijtschelding af. Tevens werd opgemerkt dat appellant inmiddels een afbetalingsregeling met het Uwv heeft getroffen.
De Centrale Raad van Beroep achtte geen grond aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde het bestreden besluit. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Spaas en leden Schoor en Bijloos op 14 juni 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering en wijst het verzoek tot kwijtschelding af.