ECLI:NL:CRVB:2005:AT8547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6108 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling dagloon WAO-uitkering ondanks geschil over loontoeslagen

Appellant stelde in hoger beroep dat het vastgestelde dagloon voor zijn WAO-uitkering te laag was omdat niet alle loontoeslagen waren meegenomen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende onderbouwing leverde voor een hoger bedrag aan toeslagen, met name voor avonduren.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant bedragen had opgenomen die buiten de referteperiode vielen en onterecht overwerkvergoedingen had meegerekend. De Raad vond dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om de juistheid van de loongegevens van de werkgever te betwijfelen.

Daarmee werd het beroep van appellant verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de berekening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en wees een toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.

Uitkomst: De vaststelling van het dagloon voor de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.

Uitspraak

03/6108 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.J.A. Janssen, werkzaam bij FNV Ledenservice te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 31 oktober 2003, kenmerk 03/28.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 april 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 16 september 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 27 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) toegekend waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op € 97,18.
Bij besluit op bezwaar van 29 november 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant gegrond verklaard, de ingangsdatum van de WAO-uitkering bepaald op 29 oktober 2002 en het dagloon vastgesteld op € 102,91.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het vastgestelde dagloon ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat appellant zijn stelling dat een hoger bedrag aan toeslag voor het werken in de avonduren uitbetaald had moeten worden, niet voldoende heeft onderbouwd.
Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden en heeft onder meer gesteld dat uit de door hem in eerste aanleg overgelegde loonspecificaties over 2000 en 2001 blijkt dat de hem in de referteperiode betaalde loontoeslagen totaal bedragen € 3.592,66. Gedaagde heeft bij zijn berekening van het dagloon slechts rekening gehouden met loontoeslagen ten bedrage van € 3.258,18.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat gedaagde is uitgegaan van de door de werkgever verstrekte loongegevens. Voorts kan naar het oordeel van de Raad de berekening van appellant niet gevolgd worden, nu daarin bedragen zijn begrepen die buiten de referteperiode vallen. Bovendien heeft appellant ten onrechte overwerkvergoedingen in zijn berekening betrokken. Immers, het aantal uren waarin is overgewerkt is te gering om het overwerk inherent aan de functie te achten.
De Raad moet concluderen dat appellant zijn stelling dat de opgave van de werkgever zodanige fouten bevat dat gedaagde daarop niet had mogen afgaan, in het geheel niet onderbouwd heeft met concrete gegevens. Gegeven het uitgangspunt dat het primair op de weg van appellant ligt om zijn twijfel aan de juistheid van het dagloon te onderbouwen, ziet de Raad dan ook geen grond de berekening van gedaagde voor onjuist te houden.
Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) M. Renden.
HE/1665