ECLI:NL:CRVB:2005:AT8587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsduur en toepasselijke wetgeving bij migratie en arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1941, was in Nederland werkzaam en verzekerd onder de ABPW tot 1974, waarna hij in Duitsland werkte en verzekerd was onder het Angestelltenversicherungsgesetz. Na een arbeidsongeschiktheid in 1988 ontving hij een Duitse EU-rente vanaf 1988. De Nederlandse uitkeringsinstantie weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat appellant ten tijde van arbeidsongeschiktheid niet onder de Nederlandse WAO of AAW viel.
Vanaf 25 oktober 1998 kende de instantie een pro-rata WAO-uitkering toe, gebaseerd op de wetgeving die toen gold. Appellant voerde aan dat de oudere, gunstigere bepalingen van vóór 1993 van toepassing moesten zijn, aangezien zijn arbeidsongeschiktheid toen was ingetreden. Tevens stelde hij nadeel te ondervinden van zijn migratie binnen de EU.
De Raad oordeelde dat voor de toepasselijkheid van de wetgeving bepalend is de datum van toekenning van de uitkering, niet de datum van arbeidsongeschiktheid. De overgangsregels van de Wet TBA zijn van toepassing en appellant voldoet niet aan de voorwaarden voor toepassing van oudere bepalingen. Het Hof van Justitie bevestigde dat de EU-regelgeving pas vanaf 25 oktober 1998 een samenhangend stelsel biedt, waardoor er een leemte bestaat voor eerdere tijdvakken.
De Raad concludeert dat de lagere uitspraken correct zijn en bevestigt de toekenning van de WAO-uitkering vanaf 25 oktober 1998 volgens de toen geldende wetgeving. De bezwaren van appellant worden ongegrond verklaard en de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is toegekend vanaf 25 oktober 1998 volgens de toen geldende wetgeving.