ECLI:NL:CRVB:2005:AT8613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en boete wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant, een magazijnmedewerker, raakte arbeidsongeschikt door schouderklachten na een ongeval en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Deze werd later herzien naar 45-55% vanwege looninkomsten bij zijn werkgever. Vanaf 1 juli 1999 werkte appellant in loondienst bij het bedrijf van zijn vader, wat niet tijdig aan het UWV werd gemeld.
Het UWV trok de WAO-uitkering per 1 juli 1999 in omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht op basis van zijn feitelijke verdiensten. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verlaagde de boete van ƒ1.200 naar €429 en wees het beroep verder af.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het loon bij de nieuwe werkgever niet als sociaal loon kon worden aangemerkt en dat appellant zijn wijziging in arbeidsituatie had moeten melden. De intrekking van de uitkering en de boete waren terecht en in overeenstemming met de wet en het toepasselijke beleid.
De Raad zag geen reden om af te wijken van de lagere boete en bevestigde het bestreden besluit. De uitspraak benadrukt het belang van de inlichtingenverplichting en de correcte vaststelling van arbeidsongeschiktheid op basis van feitelijke verdiensten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 1 juli 1999 en handhaaft een boete van €429 wegens schending van de inlichtingenverplichting.